GELUK
Er
was eens een visser, die met zijn vrouw in een huisje in de duinen
woonde. Met zijn bootje voer hij elke dag uit om vissen te vangen.
Wat hij gevangen had verkocht zijn vrouw op de markt in de stad.
Op
een dag gooide hij zijn netten uit op een plek, die hij niet zo goed
kende. Misschien dat de vissen zich hier ophielden, want al weken had
hij bijna niets gevangen en zijn had niets om mee naar de markt te
gaan.
Toen
de visser zijn netten binnenhaalde, voelde het alsof ze gevuld waren
met vis, maar toen hij de vangst op het dek had liggen, zag hij dat
hij geen vis maar een grote schelp had opgehaald.
Teleurgesteld
wilde hij de schelp terug gooien, toen de schelp openging. In de
schelp lag een prachtige parel, zo groot als een kippenei.
De
visser pakte de parel. “Je kunt zo'n ding niet eten.”, dacht hij.
“en als ik hem in de stad probeer te verkopen, denkt iedereen dat
ik hem gestolen heb.” Even overwoog hij om hem in zee te gooien,
maar hij kon geen afstand doen van de glimmende kogel en hij stopte
de parel in zijn broekzak. De tweede keer dat hij zijn netten
uitgooide, had hij meer geluk en met een tiental vissen aan boord
voer hij naar huis.
Thuisgekomen
liet hij de parel aan zijn vrouw zien. Zij poetste hem op en legde
hem op de schoorsteenmantel. “Hij glimt zo mooi”, zei ze tegen
haar man. “Kom we gaan aan tafel.”
Vanaf
dat moment waren de netten van de visser steeds gevuld en op de markt
kon hij een goede prijs bedingen.
Maar
zijn fortuin werd achter zijn rug om besproken en sommige
collega-vissers suggereerden, dat hij een overeenkomst had gesloten
met een duistere macht.
Deze
verhalen bereikten ook de koning en deze stuurde een aantal van zijn
soldaten naar het hutje van de visser.
Zij
doorzochten de woning en zagen al snel de grote parel, die op de
schoorsteenmantel pronkte.
De
aanvoerder bulderde tegen de bibberende vissersvrouw, dat deze parel
eigendom was van de vorst en daarom in beslag werd genomen. Hij
stopte het juweel in zijn zadeltas en reed met zijn manschappen naar
het kasteel.
De
koning luisterde naar zijn legeraanvoerder, die vertelde dat deze
parel de bezitter geluk bracht. Het fortuin van de arme visser was
hier het bewijs voor. Met een tevreden glimlach legde de vorst de
parel in zijn, mager gevulde, schatkist. “We zullen zien,” zei
hij en hij wierp de soldaat een beurs met munten toe.
De
volgende ochtend werd de koning gewekt door een poortwachter, die een
kapitein van de koninklijke vloot met zich meevoerde. Stamelend
bracht de zeeman verslag uit. De handelsvloot van de koning was in
een zware storm terecht gekomen en zijn schip was, zwaar gehavend,
het enige dat de kust had bereikt.
Het
slechte bericht leek de koning niet te deren. Hij speelde met de
parel in zijn hand en hij zei: “Binnenkort zal het geluk ons
bereken en verrijken.”
Maar
een week later werd de koning gewekt door zijn kamerheer. “Heer, er
is een ramp gebeurd. Alle soldaten zijn doodziek en ze zijn niet in
staat om de stad te verdedigen.” Maar opnieuw glimlachte de koning,
terwijl hij de parel met een zijden doek oppoetste. “Deze parel zal
ons binnenkort geluk brengen.” en hij stuurde de kamerheer weg.
5
dagen later werd de koning naar de stadsmuren geroepen. Buiten, in
het veld, brandden kampvuren van het leger van zijn eeuwige rivaal,
terwijl zijn eigen manschappen nog ziek op bed lagen. Ze waren niet
tot vechten in staat. De stad was onverdedigd en weerloos.
Vervuld
van woede rende de koning naar zijn schatkist en greep de parel. Bij
de haven aangekomen bedacht hij zich geen moment en smeet de parel in
het water.
Twee
dagen later voer de oude visser uit. Het kasteel van de koning rookte
en de stadsmuren waren verwoest. Roet en stank trokken over het
water.
Zonder
veel enthousiasme wierp hij zijn netten uit. Toen hij ze inhaalde
leken ze leeg, tot op het laatst een grote vis op het dek lag te
spartelen.
Hij
voer terug naar de verduisterde haven, gooide de vis over zijn
schouder en sjokte, uitgeput van een dag hard werken, naar huis.
Zijn
vrouw nam de vangst over om de vis voor het avondmaal te fileren. De
visser plofte op de bank voor het huis en staarde vermoeid in de
duisternis.
Een
luide gil deed hem opspringen en hij snelde naar binnen.
Daar
stond zijn vrouw, sprakeloos, terwijl ze een prachtige grote parel
omhoog hield, die ze in de ingewanden van de vis had gevonden.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten